Naar de inhoud
Madelon van Tilborg
Home  ›  Boeken  ›  Door jouw ogen
Omslag van Door jouw ogen

Een spicy workplace romance voor fans van Ali Hazelwood

Door jouw ogen

Zij zet alles op alles om haar praktijk te redden. Maar ziet ze wel wat écht belangrijk is?

Huisarts Tess van der Meer gelooft in zorg met aandacht en wil hoe dan ook de dorpspraktijk van haar opa voortzetten. Helaas is het gebouw verouderd, lopen de kosten op en is een flinke renovatie onvermijdelijk.

Met tegenzin gaat Tess in zee met Thomas Rensveen: een rationele investeerder die gedreven wordt door cijfers, efficiëntie en winst. Hun ideeën over de toekomst van de praktijk botsen vanaf hun eerste kennismaking.

Maar ze hebben allebei hun redenen om de praktijk te laten slagen, en tussen de spreekuren en de spreadsheets door ontstaan gevoelens die ze niet hadden kunnen voorzien. Durven ze elkaar te vertrouwen, of liggen hun werelden toch op ramkoers?

Proloog

Twee jaar geleden

  • De ventilator in de hoek doet zijn best, maar de klamme hitte wint altijd. De geur van vochtige aarde, eucalyptusolie en wierook uit het pand hiernaast hangt om me heen. Ik trek mijn doktersjas recht. Mijn beige linnen broek is al gekreukt door de warmte en het katoenen shirt plakt aan mijn rug. Ik veeg een lok haar uit mijn gezicht en roep mijn volgende patiënt binnen. Een oude vrouw staat op uit haar stoel, haar sarong strak om haar middel geknoopt.

    Ik begroet haar en stel mezelf voor. ‘Selamat pagi. Saya Tess van der Meer. Dokter umum.’ De huisarts.

    Haar knokige handen reiken me een stapel papieren aan. Ik bekijk ze zorgvuldig. Het zijn bloeddruk- en suikercontroles, aangevuld met notities in een slordig doktershandschrift. In Nederland zou dit allemaal in de computer staan. Maar in kleine praktijken als deze op Bali gaat het grotendeels op papier.

    Ik leid haar naar de stoel tegenover me. ‘Tekanan darah tinggi?’ vraag ik. Hoge bloeddruk?

  • Ze knikt, legt een hand op haar hoofd en vertelt dat ze duizelig is. Ik schrijf mee, vraag hoe vaak de duizeligheid voorkomt en of ze nog andere klachten heeft. Weer knikt ze, maar nu glijden haar ogen naar de vloer. Mijn basiskennis van de Indonesische taal is goed genoeg om spreekuur te kunnen doen, zolang patiënten rustig en duidelijk praten. Mijn Balinees laat echter nog wat te wensen over.

    Achter me klinkt een kort kuchje. Mijn collega, dokter Wayan Bayu, schiet te hulp en stelt de vraag opnieuw, maar nu in vloeiend Balinees. De spanning zakt zichtbaar van haar schouders. Ze praat snel, met vlugge handgebaren die haar verhaal ondersteunen.

    ‘Ze heeft haar medicatie niet regelmatig ingenomen,’ vertelt Bayu me.

    Dat kom je hier meer tegen: medicatie is duur, controles worden overgeslagen en pillen raken op.

    Met Bayu als tolk stel ik nog een paar aanvullende vragen, meet haar bloeddruk – inderdaad fors verhoogd – en schrijf een nieuw recept uit.

    ‘Terima kasih, dokter Tess.’ Dank je wel.

    ‘Sama-sama.’ Graag gedaan.

    De vrouw vertrekt en ik vang Bayu’s blik. Hij knikt goedkeurend.

    Samen werken we in deze praktijk onder dokter Putu Sari, een oudere Balinese huisarts die al haar hele leven in Ubud woont. Ze is streng maar rechtvaardig en iedereen heeft respect voor haar. Ze houdt vast aan tradities, maar heeft mij desondanks toegelaten in haar praktijk; een buitenlandse arts die haar weg zocht in een vreemd land en een nog vreemder zorgsysteem.

  • Tijdens mijn geneeskundestudie wist ik al dat ik een tijd in de tropen wilde gaan werken, voordat ik me zou verbinden aan een praktijk. In gedachten zag ik mezelf in Afrika. Kenia, Malawi, Ghana; landen waar veel van mijn studiegenoten naartoe trokken. Maar toen het moment dichterbij kwam, voelde er maar één plek juist: Indonesië. Dichter bij mijn moeder. Dichter bij de avonturen die haar hadden gevormd, die ik alleen kende uit verhalen.

    Bayu schuift zijn stoel naar achteren. ‘Saya akan makan siang di rumah.’

    Zoals iedere dag gaat hij naar huis om te lunchen.

    ‘Selamat makan.’ Eet smakelijk. ‘Doe Rani de groeten van me.’

    ‘Zal ik doen. Niet te veel sambal eten, dokter Tess. Je maag is niet van staal.’

    ‘Mijn maag is sterker dan jij denkt.’

    Hij grinnikt, pakt zijn helm en vertrekt. Even later verdwijnt ook dokter Sari naar haar appartement boven de praktijkruimte, waar haar man ongetwijfeld de warme maaltijd al heeft opgediend. Van de gewoonte dat hier drie keer per dag warm wordt gegeten, hou ik misschien wel het meest.

    Ik trek mijn witte jas uit en hang hem over de stoel. Tijd om de benen te strekken.

    Vanuit de praktijk loop ik direct het levendige centrum van Ubud in. Brommers suizen langs me heen, vrouwen in yoga-outfits slenteren voorbij. In de verte klinken de metalen klanken van een gamelanorkest; dorpsbewoners die oefenen voor een ceremonie.

    Ik wandel naar de warung op de hoek van de straat, waar ze traditionele gerechten serveren die ik maar al te graag eet als lunch.

  • De eigenaar steekt enthousiast zijn hand op. ‘Dokter Tess! Sudah lapar?’ Al honger?

    ‘Altijd. Wat hebt u vandaag voor lekkers voor mij?’

    ‘Lontong met katjangsaus, net gemaakt. En ik heb saté ajam, niet te pittig.’

    Het water loopt me in de mond. Kleefrijst, pindasaus en saté van kip. Wat wil een mens nog meer? ‘Heerlijk. Doe mij daar maar een portie van. Plus wat extra groenten, alsjeblieft.’

    ‘Komt eraan.’

    ‘Hoe gaat het met u?’ vraag ik. ‘En met uw handen?’

    ‘Goed, goed. Een beetje stijf nog, maar minder pijn.’

    ‘Fijn om te horen.’

    Drie maanden geleden kwam hij op mijn spreekuur vanwege klachten van reumatoïde artritis. Na een flinke opvlamming was hij vreselijk bezorgd dat hij niet meer zou kunnen werken. Zijn handen en polsen deden ontzettend veel pijn, de gewrichten dik en rood. Met sterke medicijnen kregen we het onder controle.

    ‘Zonder dokter Tess had ik deze zaak kunnen opdoeken.’

    Ik wuif zijn woorden weg. ‘De medicijnen en u doen het werk, ik houd het slechts in de gaten.’

    Ik reken af, bedank hem en steek met mijn bord in de hand de straat over naar een klein tafeltje in de schaduw. Daar breek ik een stuk kleefrijst af en dip het in de pindasaus. Pittig, zout en een vleugje zoet: simpel eten voor hier, maar beter dan welk broodje kaas ook. Ik eet op mijn gemak, geniet van elke hap en lees een paar bladzijden in het boek dat ik bij me heb. Als ik klaar ben met eten, is het tijd om terug te gaan. Het middagspreekuur wacht.

    De middag verloopt zonder problemen. Aan het eind van de dag hangt Bayu het bord tutup op. gesloten.

  • ‘Heb je nog plannen voor vanavond?’ vraagt hij.

    ‘Het gebruikelijke. Boodschappen doen, koken.’

    ‘Ga je nog naar de Moonlight Gamelan? Het schijnt heel mooi te worden.’

    ‘Vanavond niet. Ik ben van plan vroeg naar bed te gaan met mijn boek.’

    ‘Wat lees je, als ik vragen mag?’

    ‘Niets van jouw smaak, vrees ik. Het gaat over een schrijfster die door haar uitgever op een chakra-retraite in de jungle van Bolivia wordt gestuurd om haar mojo opnieuw te vinden. Zeer vermakelijk en goed geschreven.’

    Bayu lacht. ‘Nee, dat is inderdaad niks voor mij. Wellicht voor Rani.’

    Ik wens iedereen een fijne avond, trek de deur achter me dicht en loop de warmte in.

    Net als ik op mijn fiets wil stappen, trilt mijn telefoon in mijn achterzak. Het is Nova, mijn studievriendin uit Amsterdam. Ik kijk op mijn horloge. Halfvier hier, dus halfnegen ’s ochtends daar. Het tijdstip waarop zij haar tweede kop koffie drinkt.

    ‘Hoor eens wie we daar hebben,’ zeg ik. ‘Amsterdam checkt in.’

    ‘En Bali neemt op!’ klinkt haar zangerige stem. ‘Hoe is het daar?’

    ‘Warm, plakkerig, maar verder uitstekend. Ik ben net klaar met mijn spreekuur.’

    ‘Heb je weer levens gered?’

    Ik leun met mijn heup tegen het zadel. ‘Altijd. Mijn cape is echter in de kast gebleven, geen heroïsche taferelen vandaag.’

    ‘Jammer, ik bel altijd in de hoop op een spannend succesverhaal.’

  • ‘Daarvoor moet je bij iemand anders zijn.’

    ‘Ach, ik belde zomaar. Even hallo zeggen. En om mijn nieuwste mop met je te delen.’

    ‘Is het weer zover? Je weet hoe slecht ze zijn, toch?’

    ‘Wacht maar tot je deze hoort. Welke thee serveren ze op de intensive care?’

    Ik zou kunnen raden, maar ervaring heeft geleerd dat ik het nooit goed heb. ‘Vertel.’

    ‘IC-tea!’

    Ik grinnik. ‘Ongelooflijk.’

    ‘En ik heb er nog een. Wil je hem horen?’

    ‘Hou me niet langer in spanning.’

    ‘Wat is de favoriete groente van een chirurg?’

    ‘Geen idee.’

    ‘Een snijbiet!’

    Hardop lachend schud ik mijn hoofd. ‘Je verzint ze waar je bij staat.’

    ‘Absoluut niet. Mensen vertellen deze aan mij.’

    ‘Als ik terug ben, wil ik die lolbroeken graag ontmoeten.’

    ‘Staat genoteerd.’ Ze neemt een hoorbare slok van haar koffie. ‘Oké, ik moet aan de slag, mijn eerste polipatiënt wacht. Kort maar krachtig. Bedankt dat je opnam.’

    ‘Altijd. Fijn dat je zomaar belde.’

    Glimlachend stop ik mijn telefoon weg. Met enige regelmaat heb ik contact met het thuisfront. Nova is degene die het vaakst incheckt. Een kort belletje waar ik altijd blij van word. Ook opa en oma laten regelmatig van zich horen.

    Eenzaam ben ik hier niet. Ik heb een aantal lokale vrienden, die ik heb ontmoet via buurtfeesten waar ik af en toe kom. En ik maak deel uit van een kleine expatkring. Geen diepe vriendschappen, maar een prettig netwerk dat voor nu prima is.

  • Soms kruist er weleens een leuke man mijn pad, zoals een Schotse fotograaf met wie ik enkele weken heb gedatet. Uiteindelijk is hij weer vertrokken en dat was helemaal oké. Het leven hier is goed zoals het is. Zo goed dat ik voorlopig graag wil blijven.

    Later die avond lig ik languit op de bank met een boek in mijn handen. Buiten tjirpen de krekels en binnen is het eindelijk koel genoeg om echt te kunnen ontspannen. Mijn huis is niet groot, maar groot genoeg voor mij alleen. Met uitzicht op de rijstvelden die zich uitstrekken tot aan de horizon. Een slaapkamer en woonkamer, met witte muren, bamboe meubels en een veranda waarop ik graag mijn kopi tubruk drink. De ramen staan altijd open, waardoor er van ochtends vroeg tot ’s avonds laat de verrukkelijkste etensgeuren naar binnen waaien.

    Ik sla een bladzijde om. Net wanneer ik me midden in de jungle van Zuid-Amerika waan, gaat mijn telefoon. Mijn oma.

    Ik nestel me nog wat dieper in de kussens voor ik opneem. ‘Hi oma, wat leuk dat u belt. Hoe gaat het daar?’

    Even blijft het stil aan de andere kant van de lijn.

    Dan hoor ik haar zachtjes zeggen: ‘Sayang.’ Lieverd. ‘Het gaat niet goed met opa.’

    Met een ruk kom ik overeind. ‘Wat is er aan de hand?’

    ‘Hij wil niet dat ik je hiermee lastigval, maar hij kan de praktijk niet meer aan in zijn eentje. Kom alsjeblieft naar huis.’

Verschenen
7 mei 2026
Uitgever
Ambo|Anthos
ISBN
9789047212348, 9789047212355, 9789047212935
Storytel
4,5  (32 waarderingen)
Kobo
4,7  (33 waarderingen)
Hebban
4,4  (90 waarderingen)